Een vroege start op de Nederlandse arbeidsmarkt: lessen uit zeven proeven met startbanen
Statushouders die betaald werk combineren met inburgering leren sneller de taal, bouwen een sociaal netwerk op en vinden zingeving. Maar de combinatie van werk en inburgering vraagt een omslag in de uitvoering en duidelijkheid van de rijksoverheid. Dat blijkt uit het rapport ‘Een vroege start op de Nederlandse arbeidsmarkt’, dat is aangeboden aan Thierry Aartsen, Minister van Werk en Participatie.
Zeven gemeenten en regio’s – Amsterdam, Eindhoven, Rotterdam, Súdwest-Fryslân, Helmond-De Peel, WSD en Groningen-Drenthe – experimenteerden de afgelopen jaren met startbanen: betaalde banen die statushouders combineren met een inburgeringstraject. Samen bereikten zij ruim 600 deelnemers. Doordat deelnemers inburgeringsuren moeten maken, werken de meesten maximaal 24 uur per week en stromen zij doorgaans niet uit de bijstand. Toch zijn zij vaak sterk gemotiveerd en ervaren ze de werkplek als een effectievere taalleeromgeving dan het klaslokaal.
Het rapport levert concrete lessen op voor gemeenten die met startbanen aan de slag willen. Een voortraject blijkt voor de meeste statushouders onmisbaar: zonder een basisniveau taal en werknemersvaardigheden stranden plaatsingen vroegtijdig. De samenwerking tussen taal- en participatieprofessionals gaat niet vanzelf: proeven die werkten met een spilfunctionaris en gezamenlijke doelstellingen kwamen sneller tot resultaat. En gespecialiseerde consulenten voor de doelgroep herkennen patronen eerder.
Het vinden van werkgevers blijft een van de grootste uitdagingen. Uitvoerders constateren dat veel werkgevers een net zo grote afstand tot de doelgroep hebben als de doelgroep tot hen. Werkgevers staan aanvankelijk vaak open, maar haken af bij taalbarrières en een intensieve begeleidingsbehoefte. Wat helpt: benadering via bestaande netwerken, ontzorging met één vast aanspreekpunt, en constructies die werkgevers een laagdrempelige instap bieden.
De proeven leggen ook knelpunten bloot die gemeenten niet zelf kunnen oplossen. Statushouders vallen onder zowel de Wet inburgering 2021 als de Participatiewet. In theorie vullen die wetten elkaar aan, maar in de praktijk worden ze soms uitgevoerd door verschillende afdelingen of organisaties, met eigen doelen en registratiesystemen. Professionals hebben uiteenlopende opvattingen over de verhouding tussen inburgering en werk en statushouders ontvangen daardoor tegenstrijdige boodschappen. De onderzoekers concluderen dat integraal werken een omslag in de uitvoering vraagt, waarbij de rijksoverheid gemeenten kan ondersteunen door duidelijkheid te bieden: werk tijdens de inburgering hoeft niet ten koste te gaan van de taalverwerving.
De Beleidsonderzoekers voerde het onderzoek uit in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Per proef zijn meerdere rondes interviews gehouden met statushouders, werkgevers en professionals, aangevuld met werkplekbezoeken en een analyse van registratiegegevens. Een handreiking met concrete handvatten voor gemeenten verschijnt in juni 2026.
Lennart de Ruig
E: lennart@beleidsonderzoekers.nl
T: 06 48 31 3567
LI: Lennart


